Paper Bits: vrolijk en goedkoop

Paper Bits zijn elektronica onderdelen zoals de Little Bits maar dan op papier. Het is een aanvulling voor de Micro:bit. We willen we ‘physical computing’ zo laagdrempelig mogelijk maken. Waar de drempel dan één A4tje hoog is. Lees maar verder.

Elke Paper Bit bestaat uit een fysiek stuk en een stukje (voorbeeld)code. Zo heb je direct een functioneel stukje in handen. Een LED-je dat je je wil kunt opleggen. Wiehoe! Daarmee hopen we dat we een ‘Lego’ systeem te hebben gemaakt. Elk ‘steentje’ dat je leert kennen geeft weer nieuwe mogelijkheden, zeker waneer je ze combineert met de andere onderdelen. Er is geen echt beginpunt. Je kunt alles door elkaar gebruiken, overal starten. Het materiaal is met opzet niet lineair!

Door te kiezen voor goedkope materialen zoals de losse elektronica onderdelen, kopertape en papier, is het mogelijk met een hele klas te werken. Het is vaak letterlijk centenwerk.

We hopen dat de leerlingen uiteindelijk de Paper Bits vergeten. Dat ze leren om hun ideeën werkelijkheid te maken en daarvoor sensoren, LED-jes en microprocessors gebruiken. Als er iets je gaaf is, is het wel je eigen idee in je handen te houden en te delen met anderen. Die ervaring gunnen wij elk kind.
We hopen ook dat collega’s, PO en VO, ongeacht welke achtergrond, het zichzelf gunnen dit te ontdekken. Het materiaal kan als doel op zichzelf gebruikt worden. Maar…je kunt het ook gebruiken in de reguliere les. Vrolijk! Laat ze een interactief monument maken, een gedicht animeren met LEDjes, een experiment met tuinkers, een LDR en een LED bedenken. Er kan zoveel!

Hoe is het idee is ontstaan kan je hierna lezen. Wil je gewoon gelijk aan de slag, dan kan dat! Daar is het voor gemaakt. Je vindt het materiaal, inclusief handeling, hier.

Het idee

Het idee is een variatie op het idee van de Tinkering Studio: Scratch Paper. Je maakt kaartjes met onderdelen zoals een LED op papier. Met kopertape en krokodillenklemmen verbind je de onderdelen aan een Arduino. Om te programmeren gebruik je ScratchX. Dat is een experimentele omgeving van Scratch. Alles staat keurig beschreven in de instructable van Scratch Paper. De drempel om aan ‘physical computing’ te doen is hiermee heel erg laag geworden.

Voordelen van Scratch Paper:

  • Goedkoop, daardoor met alle leerlingen te doen.
  • Maakt gebruik van een Arduino, die kun je later op andere plekken gebruiken.
  • Scratch kan je eerst los aanleren waarna je de stap naar Scratch Paper maakt.
  • Het is platform onafhankelijk, programmeren gaat online.

Nadelen van Scratch Paper:

  • Het vergt best wat voorbereiding, bijvoorbeeld het geschikt maken van de Arduino’s voor de krokodillenklemmen.
  • Je moet bekend zijn met een Arduino om deze geschikt te maken voor ScratchX.
  • ScratchX is niet altijd even stabiel.
  • Hoe je bijvoorbeeld een LED moet programmeren en aansluiten is niet duidelijk.
  • Je werkt altijd met een computer aan je project vast waar internet voor nodig is.

Marten en ik zijn altijd op zoek naar materiaal dat goedkoop is, toegankelijk en waarmee veel mogelijk is. Scratch Paper past in dat plaatje dus we hebben veel gespeeld met dit idee. Zo kwamen we op onze eigen variant.

Scratch Papier

Het is maar een heel klein stapje van Scratch Paper (Tinkering Studio) naar Scratchpapier (onze versie, materiaal en beschrijving hier). We bedachten dat we op het papier ook dingen kunnen printen. Zo is het papier zowel handleiding als het ding dat je maakt. Hoe sluit je een LEDje aan staat al op het kaartje zelf. Daarnaast hebben we een klein stukje code ernaast gezet zodat je al een voorbeeld hebt. Een soort ‘Hallo wereld’ maar dan voor elk onderdeel. Hiermee heb je een soort minimale instructie die leidt tot een succes, een knipperde LED bijvoorbeeld. Een LED op die manier je wil op leggen, dat is best een gave ervaring. Daarna kun je met je eigen ideeën verder. Bijvoorbeeld door onderdelen te gaan combineren, een LED met een LDR. We spelen graag met die balans tussen instructie en vrijheid. Zo is één nadeel van het Scratch Paper opgelost.

Micro:bit

Toen de Micro:bit beschikbaar was in Nederland zijn we er niet gelijk opgedoken. Je wordt soms moe van alle nieuwe geweldige oplossingen voor het onderwijs. Het is een eindeloze stroom en we waren gestopt om alles uit te proberen. Tot ik zag dat je krokodillenklemen direct op de Micro:bit kunt aansluiten. Mmm…handiger dan een Arduino en nog goedkoper ook. Toch maar eentje besteld.

Na even spelen blijkt de Micro:bit inderdaad voordelen ten opzichte van het Scratch Papier te hebben. Daar staan wel wat nadelen tegenover.

Voordelen Micro:bit:

  • Het is goedkoper dan de optie met een Arduino (als je een echte koopt)
  • Krokodillenklemmen passen direct op de Micro:Bit.
  • Geen voorbereidingen nodig, je kan direct aan de slag.
  • Je programma draait zonder computer. Je kan dus ook draagbare projecten maken.
  • Er zitten al heel veel sensoren en LED’s op de Micro:Bit.

Nadelen Micro:bit:

  • Je werkt niet met Scratch* maar met een andere blokkentaal ‘Blocks’.
  • De blokkentaal is erg gericht op de sensoren en mogelijkheden van de Micro:Bit en zit minder logisch in elkaar dan Scratch.
  • Je werkt weer met een online omgeving dus je hebt computers nodig met internet. (al kan het ook via een smartphone)
  • Je hebt batterijen nodig om de Micro:Bit te gebruiken.

Onze conclusie was dat het toegankelijker wordt met de Micro:bit. En net op dat moment kwam er een vraag… Van onze grote klooivriendin Astrid Poot. Of we een klooikoffer willen helpen maken voor de Arduino. Misschien iets met de Scratchpapier kaartjes… Ja natuurlijk, maar we vertelden ook onze voorlopige conclusie en plannen voor de Micro:Bit. Astrid was net gevraagd om een klooikoffer te maken voor de Micro:Bit. Zo viel alles samen en ontwikkelden we het idee verder. Feestelijk!

 *Hier is een idee te vinden om de Micro:bit met Scratch te gebruiken.

Het materiaal

Er zijn nog veel meer Paper Bits mogelijk dan die er nu zijn. Je kunt ze, als je het idee eenmaal gezien hebt, makkelijk zelf maken. Deel ze met ons, dat vinden we leuk! We hopen natuurlijk dat leerlingen het idee van de kaartjes snel loslaten en woest maaksels van karton uitrusten met elektronica.

Ervaringen met het materiaal horen we heel erg graag. Vanuit de ontwikkeling van de klooikoffer hebben we al best wat feedback gehad en verwerkt. Als het beter kan, zeg het ons!

We ontwikkelden het idee samen maar de tekeningen zijn natuurlijk weer van Marten. Mis je nog een Paper Bit? Laat het ons weten! Marten heeft voor de gelegenheid zelf een tekenmal met de lasercutter gemaakt om zo goed de ‘Blocks’ te kunnen tekenen. Retecool!

Al het materiaal is gratis te gebruiken mits het niet voor commerciële doeleinden is. In alle andere gevallen, graag even contact opnemen.

Heel veel plezier met de #paperbits!

Marten
Per-Ivar

Kassarol-onderwijs!

Waarom?

Tot de invoering van de Mammoetwet in 1966 was “kosmografie”, laten we zeggen sterrenkunde een vak dat op de HBS werd gegeven (op het gymnasium tot 1919). Daarna is het een tijdje weggeweest maar gelukkig vindt het langzamerhand zijn weg terug het onderwijs in. Voorheen in ANW, tegenwoordig bij Natuurkunde, zelfs op de HAVO (“zelfs” vanwege het feit dat er geen vervolgopleiding is op dit gebied op het HBO) en ook in NLT, bijvoorbeeld in de module “Meten aan Melkwegstelsels” heeft de sterrenkunde zijn plek weer gevonden. De mensheid en zelfs pubers vinden kijken naar sterren en nadenken over hoe dit allemaal in elkaar zit interessant en het is ook voor een docent een mooi onderwerp.

Er is echter één groot nadeel aan het geven van Sterrenkunde. Er zijn zo weinig proefjes te doen. Natuurlijk kun je demonstratieproeven doen met licht (spectra) en wellicht kunnen de leerlingen, mits er genoeg (vaak dure) apparatuur is ook zelf wel aan de slag maar het is toch vooral een luister- en kijkvak. Helemaal niet erg maar een bètadocent doet nu eenmaal graag practicum.

Tegelijkertijd vind ik het belangrijk dat leerlingen zich realiseren dat de ruimte vooral heel erg leeg is. Representaties van het zonnestelsel bijvoorbeeld zijn altijd enorm gevuld. Zie het voorbeeld hieronder, de eerste link die je in Google Images krijgt als je zoekt naar “zonnestelsel“. Dit is een prachtig plaatje, maar doet de werkelijkheid geen eer aan. De schaal van de grote van de planeten klopt wel en ook de schaal van de afstanden is min of meer correct maar die schalen zijn niet hetzelfde.

Nu kun je tegenwoordig op internet hele mooie manieren vinden om toch goed te laten zien hoe dit in het echt zit, zoals bij “If the moon were only 1 pixel“. Hierbij wordt de grootte van de maan op 1 pixel gezet en de rest daarmee geschaald. Je kunt dan door het zonnestelsel reizen en daarin ervaar je heel goed hoe leeg dit is. Maar. Dit is virtueel.

Kassarollen

Een tijdje geleden bedacht ik hoe het wellicht zou kunnen. Wanneer je een beeld wil maken van het zonnestelsel in het echt, heb je een enorme lengte nodig. Een touw zou kunnen maar dat heeft weer geen breedte. Zo kwam ik uit op een kassarol. Voordelen:

  • lang (zo lang mogelijk is fijn)
  • breed (zo breed mogelijk is fijn maar lang is belangrijker)
  • papier (niet heel lekker beschrijfbaar papier maar met stiften gaat het prima)

Even zoeken op internet leverde me een enorme hoeveelheid plekken op waar je kassarollen kunt kopen. De webwinkels zijn echter natuurlijk niet ingericht op de eisen/vragen die ik heb bij het kopen van kassarollen voor dit doel, dus het was even door zoeken. Zo staat er vaak: “57x70x12”, Dit betekent, zo zocht ik uit: 57 mm breed, 70 mm dik (dikte papierlagen) en 12 mm is de diameter van het binnengat. Dit zijn vermoedelijk logische grootheden vanwege de verschillende kassa’s. 

Voor het doel waar ik ze voor wil gebruiken, is eigenlijk alleen de breedte en de lengte van het papier van belang. Wanneer je doorklikt, staat dit er meestal ook bij. Ik kocht rollen met een breedte van 80 mm en een lengte van 75 m.  €20 ex BTW voor 20 rollen, dus iets meer dan een euro per rol. Aan de slag!

Keuzes

Dan moeten er keuzes gemaakt worden. Ik startte Excel op, sloeg BINAS tabel 31 op en noteerde in een kolom de gemiddelde afstanden tot de zon van de planeten (t/m Pluto) en ook hun planeetstralen. Grote getallen dus dan moet je gebruik maken van de notatie “6,371e6”  (de straal van de aarde). Nu is de uitdaging keuzes te maken voor wat betreft de schaal zodanig dat datgene wat je tekent nog enigszins te tekenen is. Wanneer je een te ver object neemt als einde van de rol, bijvoorbeeld de Oortwolk (>3000 AE) dan worden de planeten en zelfs de zon te klein (in dit voorbeeld wordt de diameter van de zon zo’n 2 mm, en dan is Jupiter slechts 0,24 mm). Na enig rekenwerk, kwam ik tot de volgende drie opdrachten:

  • Groep 1: Neem Neptunus als eindpunt.
    Interessant: alle planeten van het zonnestelsel staan erop.
    Nadeel: met name de Aardse planeten (Mercurius, Venus, Aarde, Mars: steenachtig) zijn erg klein (diameter < 0,20 mm).
  • Groep 2: Neem Mars als eindpunt.
    Interessant: Onze buurplaneten staan er allemaal op. De diameters zijn allemaal zodanig dat de planeten meer zijn dan een puntje.
    Nadeel: de echt grote planeten (Jupiter en Saturnus)  staan er niet op.
  • Groep 3: Neem de Aarde als eindpunt.
    Interessant: De verhoudingen tussen de diameters van de minneplaneten zijn goed zichtbaar.
    Nadeel: erg weinig te tekenen: alleen zon, Mercurius, Venus en Aarde.

Om een en ander te stroomlijnen, stelde ik mijn Excel-file ter beschikking.

Ervaringen

De groep waarmee ik dit als eerste heb gedaan is 5 VWO, NLT. Een klein clubje van een leerling of tien, die ik in drie groepen verdeelde volgens bovenstaande verdeling. Allemaal een laptop, mijn Excel-file, een kleine (opfris)cursus Excel (hoe maak je een verwijzing naar en cel die niet mee verandert als je hem kopieert?)  en aan de slag. Interventies van mijn kant waren daarna niet meer nodig. De rollen verdeelden zich natuurlijk en na een dik lesuur werden de kassarollen uitgerond in de gangen. Een groepje haalde dit niet vanwege afwezigheid van twee van de drie groepsleden. Van elke rol werd een filmpje gemaakt waarin een reis wordt gemaakt van de zon naar de planeten. belangrijk om samen op te merken dat de snelheid waarmee dit gebeurt groter is dan de snelheid van het licht; zonlicht doet er zo’n 8 minuten over om de afstand tot de aarde te overbruggen. Zie voor de filmpjes hieronder.

De doelstelling om de leegte van de ruimte te laten voelen werd ruimschoots gehaald. Het is echt helemaal kristalhelder dat het zonnestelsel vooral bestaat uit niets als je lang moet zoeken naar een planeet (” Meneer wij zijn Saturnus kwijt, even opzoeken op de laptop.” ). De grappen over ruimtetijdkromming bij kassarollen die de bocht omgaan zie ik als bijvangst. En het is plezierig dat ze weer eens met Excel werken.

Er zijn ook heus wat nadelen te vinden. Zo kostte dit een stuk meer lestijd dan ik had gehoopt. Er is nog een boel te doen en ik moet wat versnellen als ik alles wil halen wat ik me heb voorgenomen. Ook zie je de nadelen van groepswerk dat niet keihard vastligt hier terug: je kunt behoorlijk duiken en anderen de rotklussen op laten knappen of om een moeilijk stukje werk (lees Excel) heenlopen. Al deze nadelen zijn overigens prima te ondervangen een volgende keer als ik dit doe.

Andere ideeën?

Zo’n kassarol leent zich dus uitstekend om te laten zien dat iets lang is, duurt, grote afstanden kent, etc. Ik kan me zo voorstellen dat dit in veel vakken gebruikt kan worden:

  • Tijdlijnen in geschiedenis. Hoe lang bestaat Homo Sapiens t.o.v. de leeftijd van de aarde (3 mm op 75 m).
  • Bodemprofielen op ware grootte.
  • Een celdoorsnede bij biologie
  • De grootte van moleculen t.o.v. de grootte van een cel.
  • De bouw van een atoom
  • Een rit van A naar B en wat kom je tegen?

Heel leuk als jullie meer verzinnen! Mail me op arjan@makered.nl of reageer via twitter (@arjanvandermeij) of zet het in de comments hieronder. Vrolijke bruikbare ideeën zal ik aan deze post toevoegen. Op naar meer kassarol-onderwijs!

Arjan van der Meij

Hexadecimale kleurwoorden

Vakantie! En dus klooien. Ik checkte de linkdump van het allerleukst maakbedrijfje van de hele wereld (Evil Mad Scientist Laboratory, zie ook hier voor ons een verslag van ons bezoek aan hen in 2014). Een had de intrigerende titel: “Which real words are valid CSS hex colors?” Het verwees naar deze site: http://c0ffee.surge.sh
Ik houd van klooien met woorden. Zie daarvoor ook mijn posts over de titels uit de Top 2000 (en hier) en over de elementen die ook woorden zijn. Hier werd er gekeken naar welke hexadecimale (zie boven)kleurcodes ook Engelse woorden zijn.  Ik wilde graag weten of er ook Nederlandse woorden te vinden zijn en welke dat dan zijn.

De restricties om de woorden te vinden zijn helder:

  • Het moeten zes tekens zijn
  • De woorden mogen alleen worden gemaakt met de letters A t/m F

Ik heb gebruik gemaakt van een openbare woordenlijst
Vermoedelijk staan hier niet alle worden in maar de belangrijkste ongetwijfeld wel. 

Deze lijst heb ik geïmporteerd in Excel en daarna heb ik wat Excel-hocus-pocus (als je wil weten hoe, laat het me even weten) toegepast en de Nederlandse woorden gevonden die voldoen aan de we voorwaarden hierboven. Ik zag echter in de Amerikaanse versie dat er vervoegingen werden gebruikt en die moest ik ook nog zoeken. Dat heb ik gedaan door stevig na te denken. Wellicht ben ik niet compleet maar dan hoor ik dat natuurlijk graag!
 Je zou bezwaar kunnen maken tegen #FACADE vanwege het feit dat je eigenlijk façade schrijft met een cédille. In de Amerikaans versie gaan ze nog wat verder en zoeken ze ook naar woorden die een “O”, een “I”, een “S” of een “T” bevatten. Die worden dan gezien als respectievelijk een 0, een 1, een 5 en een 7. Dan wordt de lijst een stuk groter:

Hier heb ik de vervoegde werkwoorden niet bij gezocht (denk bv. aan #TASTTE). Dat zijn waarschijnlijk behoorlijk veel en vergt heftig speurwerk. En deze laatste zijn toch al niet de leukste (hoewel, #5AFF1E…)

Als laatste heb ik, naar aanleiding van een idee van Rolf, even gecheckt of er voornamen zijn die aan deze voorwaarden voldoen. Zou leuk zijn natuurlijk: je naam is dan ook een kleur. Helaas. Er is er geen een. De enige die in de buurt kwam was “Debbie”.  Alleen die “i”…

Gerookt/geroken

Zo nu en dan, vaak in de vakantie, is mijn hoofd leeg genoeg kennelijk en sluipen er taaldingen naar binnen. Onderweg naar Hoek van Holland dacht ik aan de woorden “gerookt” en “geroken”. Beiden voltooid deelwoorden, een met een -t aan het einde en een met =-en aan het einde. 

Ik vroeg op mijn geliefde medium Twitter of er meer van dat soort paren woorden zijn:

Het duurde heel even maar ik kreeg al snel een boel antwoorden:

-t of -d -en aanbrenger
gebleekt gebleken @pavl
gestookt gestoken @SylviaFysica
gestokt gestoken @trendmatcher
geschrokt geschrokken @SylviaFysica
geweest gewezen @lbfbourdrez
ontlokt ontloken @MaaikeHazel
geweekt geweken @karinwinters
geslaagd geslagen @MaaikeHazel
gevlogd gevlogen @MartijnSytsma
gesleept geslepen @graaffloris
geleegd gelegen @joopberding
geloogd gelogen @carlamondig
gelegd gelegen @carlamondig
geboogd gebogen @carlamondig
gezoogd gezogen @carlamondig
gezet gezeten @kdenheijer
gesloopt geslopen @HenkPuffelmans
gestrekt gestreken ik
gemaald gemalen @JasperKlewer
gedokt gedoken @epvsp
gemaald gemalen @leoniecornips
geboord geboren @graaffloris
gelekt geleken @Zinnig_en_Zo
gezond gezonden @maartyeah
gestold gestolen  @Zinnig_en_Zo
genood genoten @maartyeah
gebed gebeden @carlamondig
gespot gespoten @Zinnig_en_Zo
geborgd geborgen @maartyeah
bezet bezeten @marteink

 

Deze lijst kan worden aangevuld. Ik ga vanavond wellicht nog even Opperlandse Taal- en Letterkunde of Opperlans! Taal- en Letterkunde van Battus even doorkijken of hij het niet al  eerder beschreven heeft. Ik reken daar eigenlijk wel op. Voor nu: laat ze maar komen en dank alvast!

Oh ja, de hashtag is #gerooktgeroken

Interessante waarneming: 

 

 

Netwerk leren: de resultaten

Een aantal weken terug had ik een idee dat uitgewerkt werd tot een experiment. Ik was nieuwsgierig of mijn leerlingen hun netwerk weten in te zetten om te leren. Het is een poging om grip te krijgen op een idee van “Learning over Education” zoals ik dat las in het boek “Whiplash: How to Survive Our Faster Future” van Joi Ito. Het houdt me bezig en misschien wel daarom kom ik het op verschillende plekken tegen. In deze quote van Mitch Resnick uit dit stuk bijvoorbeeld.

Too often, kids are led into situations where there’s one correct solution and one path for getting there, and that’s not a very good foundation for developing as a creative thinker. But a blank slate can also be intimidating. We’re always trying to provide kids with opportunities to decide on their own goals and pathways, but also enough structure to help them succeed.

Ik denk dat dit een uiting van hetzelfde idee. Iets waar ik binnen het maakonderwijs ook tegenaan loop. In deze eerdere blogpost probeer ik daar handvatten voor de les aan te geven.

Op twitter had ik een discussie, of beter een gesprek, waar ook weer hetzelfde idee terug komt. Je kunt het draadje hier oppikken.

https://twitter.com/WSonneveld/status/832880355636023296

In het boek zeggen ze dat alle principes samenhangen en dat alles samen “Learning over Education” tot gevolg heeft. Alle principes dragen hieraan dus bij.

Hier zijn ze nog een keer:

  1. Resilience over strength
  2. Pull over push
  3. Risk over safety
  4. Systems over objects
  5. Compass over maps
  6. Practice over theory
  7. Disobedience over compliance
  8. Emergence over authority
  9. Diversity over abillity

De toets

Zoals aangekondigd heb ik de toets ‘afgenomen’ op geplande datum. Ik heb een dubbeluur gebruikt omdat ik niet zeker was hoe lang de leerlingen nodig zouden hebben om na te kijken. Bij binnenkomst heb ik alle leerlingen per versie in een rij gezet. Ik had drie versies gemaakt dus in een klassiek lokaal komt dat heel goed uit. Drie rijen van 10 lln. De toets was met opzet lastig. Hierna heb ik elke rij een andere versie gegeven met een versie van de toets waarmee ze kunnen nakijken. Dit was een lege toets waar ze de punten op kunnen scoren en waar ze bij een fout antwoord feedback kunnen geven. Op de originele toetsen wordt niet geschreven.

Tijdens de toets heb ik de leerlingen een online enquête gestuurd. Wanneer ze klaar waren leverden ze de toets in en vulde de enquête in. Ik heb de toets nagekeken en daarna gekeken hoeveel hun cijfer van mijn cijfer afzit. Dit is het tweede cijfer dat leerlingen verdienen. Voor elk 0,5 punt dat je van mijn cijfer afzit lever je een punt in.

Ik geef de leerlingen die dat willen nog een herkansing. Het was per slot van rekening een experiment.

De resultaten

Hieronder volgen de resultaten van de toets en de enquete:

  • leerlingen voorspelden een 7 gemiddeld, het gemiddelde was een 6,9
  • Voor het nakijken scoorden de leerlingen een 7,1 gemiddeld.
  • 61,5% vond de toets moeilijk tot zeer moeilijk
  • 57,7% vond de opdracht leuk tot zeer leuk om te doen
  • 73% vond de opdracht duidelijk tot zeer duidelijk.
  • biologieboek (92,3%), medeleerlingen (84,6%) en websites (57,7%) zijn de voornaamste bronnen
  • 42,3% staat negatief tot zeer negatief tegenover het herhalen van dit experiment.

Ik heb ook nog wat open vragen gesteld. Om deze blogpost enigszins leesbaar te houden en omdat dit niet een goed onderzoek is maar een verkenning heb ik een aantal typerende opmerkingen per vraag weggegeven.

Wat heb je geleerd?

  • Dat het toch geen hele goede manier van een toets maken is. Het is makkelijker als we gewoon uitleg krijgen.
  • Vrij weinig. Dat je met elkaar makkelijker een toets maakt dan alleen.
  • Ik snap het nu beter omdat ik meer met andere mensen heb gepraat en daardoor meer snap.
  • De stof beter geleerd, dieper op ingegaan.

Een groot voordeel van deze manier van werken is:

  • Je gebruikt andere bronnen om te leren.
  • Meer tijd om je echt in een vraag te verdiepen en zo meer kans te hebben om hem goed te kunnen beantwoorden.
  • Dat er minder stress is voor de toets.
  • Je kunt samen discussiëren en samen op een antwoord komen.

Het nadeel van deze manier van werken is:

  • Aan mij werden alle antwoorden gevraagd.
  • Het nakijken is heel lastig.
  • Je kan er mee weg komen niet te leren, het ligt aan jou of je de opdracht goed uitvoert of niet, doe je dit wel dan leer je een hoop.
  • Verantwoordelijkheid ligt bij jezelf (kan ook goed gevonden worden).

Wat ik nog vertellen wil, is:

  • Misschien is het handig om de toets op deze manier te maken als een soort van eerste toets/ diagnostische toets die niet heel vaak meetelt en het dan niet door ons te laten nakijken.
  • Ik vind het heel nuttig en leerzaam om te doen. Zeker nog een keer doen!
  • Dat het nakijken heel lastig is omdat je dan andere moet controleren waar ik zelf heel slecht in ben en in uitleggen
  • Nooit meer

Observaties

Tijdens het experiment heb ik wat observaties vastgelegd. Hier volgen er een paar:

  • Nakijken is ook een vaardigheid.
  • Ik krijg heel veel vragen.
  • Er is veel discussie onder de leerlingen.
  • Binnen de versies neigen de antwoorden meer naar elkaar.
  • De opdracht werd vaak individueel aangepakt.
  • Nakijken duurt net zo lang als het SO maken zelf terwijl alle vragen bekend zijn.
  • Leerlingen hebben meer moeite met handschriften dan ik.
  • De leerlingen met veel inzicht zijn goed in nakijken.
  • Hard werken wordt beloond. Door alle vragen voor te bereiden kun je er ook komen.
  • De vragen die ik krijg, zijn gericht op begrijpen i.p.v. een antwoord.
  • Het cijfer voor de toets komt heel vaak overeen met het cijfer voor het nakijken.

Conclusie

Het is natuurlijk lastig echte conclusies te trekken. Het zijn indrukken. Ik ben verrast. De leerlingen zetten veel minder hun netwerk in dan ik dacht. Ze zijn er niet handig in.  Eigenlijk pakken ze het op zoals het normaal ook zouden doen. Zelf hard ploeteren met de vertrouwde middelen, je boek, websites en je klasgenoten. Geen “Disobedience over compliance”, geen “Risk over safety”. Ik had gehoopt dat ze wellicht als groep de opdracht zouden oppakken. Wanneer je creativiteit als groepskwaliteit beschouwd, zoals in dit interessante artikel (dat ik via mede Fablearn Fellow Anne Bown-Crawford las), was dat goed mogelijk geweest. Als klas drie nakijkmodelen maken bijvoorbeeld. Geen “Systems over objects”. Harde werkers en volhouders kwamen wel bovendrijven. Dus “Resilience over strength”.

Ik zou het nog eens moeten doen. Ik heb nog nooit zoveel goede vragen gehad. De leerlingen waren echt gemotiveerd te vragen te snappen i.p.v. alleen de goede antwoorden vinden. Waar zit het hem dan in?

Het natuurlijk ook veel gevraagd om te verwachten dat ze alles zomaar anders zouden doen. Toch houden de principes me bezig. Door het nu een klein beetje anders te doen, nog steeds binnen de lijntjes van het klassieke systeem, komt er toch iets los.

De resultaten waren ook goed, iets hoger dan normaal. De verdeling was ook normaal. Er zijn ook nog steeds onvoldoendes. Maar het belangrijkste verschil is, denk ik, dat we met elkaar in gesprek zijn geraakt over de stof en over het leren. Dat is toch wat ik het mooiste vind, leren met je leerlingen.

Per-Ivar

Een experiment: netwerk leren

Aanleiding

In de kerstvakantie lukte het me weer eens om een boek te lezen. Ik had net “Whiplash” binnen. Een boek van Joi Ito, de directeur van het beroemde MIT Media Lab. Meestal belanden dit soort boeken, na wat scannen, op een stapel. Er is een Japanse term voor. Die ben ik vergeten. Hij beschrijft negen principes waarmee het Media Lab werkt en waarvan hij denkt dat ze in de toekomst voor iedereen een grote rol gaan spelen. Ze zijn allemaal uitgebreid beschreven maar je krijgt snel een idee wanneer je het volgende lijstje ziet:

  1. Resilience over strength
  2. Pull over push
  3. Risk over safety
  4. Systems over objects
  5. Compass over maps
  6. Practice over theory
  7. Disobedience over compliance
  8. Emergence over authority
  9. Learning over education

Op de facebook-pagina zijn het er nu 10. Het is zelfs een movement 😉

Het eerste waar ik aan bleef hangen wat “Learning over education“. Vaak vertaald met “Onderwijs is wat een andere je aandoet, leren is wat je jezelf aandoet.” Blijkbaar doet leren een beetje pijn. Daar ben ik het eigenlijk wel mee eens. Frustratie is wat mij betreft een uiting van die pijn. Doe ik aan educatie of laat ik ze leren? Kan je wel leren zonder educatie? Hoeveel educatie heb je nodig om te kunnen leren? Wat leren mijn leerlingen dan eigenlijk echt? Deze laatste vraag houdt me meer en meer bezig.

Het tweede waar ik aan bleef hangen is het idee van “Pull over push“. Dat kan je, net als alle andere principes, op verschillende manieren opvatten. Wat mij raakte is dat het leren bij MIT in een sociaal netwerk plaatsvindt. Je begint aan iets dat je interessant vindt wat niet persé je vakgebied is (pull). Je gaat pas op zoek naar kennis wanneer je het nodigt hebt (pull). Hierbij gebruik je je netwerk. Ik kan me voorstellen dat dat voor een plek als Boston geen probleem moet zijn. Toen ik het hier met Rolf over had, herkende hij het direct. “Zo leer ik ook.” Maar hoe zit dat met mijn leerlingen? Gebruiken zij hun netwerk wanneer ik ze de kans geef? Toen deze vraag zich opdrong, legde ik het boek neer en noteerde een plannetje in Evernote om dit te onderzoeken. Anders dan de meeste ideeën, werk ik dit idee uit. “Practice over theory“.

Idee en uitwerking

In HAVO 4 vertelde ik dit idee. Omdat ik net een schriftelijke overhoring wilde opgeven, zei leerling Laura: “Waarom doen we het niet gelijk?” HAVO 4, een examenonderdeel…maar hey, “risk over safety“. Zo leren we samen vast iets.
Hieronder staat de tekst die ik aan de leerlingen geef.

Een experiment

Vooraf
In tegenstelling tot normaal krijg je vooraf de schriftelijke 
overhoring die ik anders zou gebruiken als toets. Je krijgt twee 
weken de tijd om de antwoorden voor het SO te vinden. Je mag je 
hele netwerk gebruiken, inclusief je boek en docent. Als je 
netwerk te beperkt is, breid je dat uit zodat je de kennis vindt. Of je wil samenwerken laat ik aan jullie over. Iedereen levert 
zelf een toets in, de antwoorden zijn in jouw handschrift.

Inleveren
Op de dag dat je het moet inleveren staat er een SO in Magister 
met de stof die erbij hoort. Tijdens dat uur kijk je een toets van
een medeleerling na. Je geeft een een cijfer dat je vaststelt met de norm. Wanneer een antwoord fout is geef je daarnaast ook
feedback wat er fout is.

Beoordeling
Alle toetsen worden door mij nagekeken. Je cijfer wordt bepaald 
door de toets (door mij nagekeken) en jouw beoordeling van een 
medeleerling. Daarnaast moet je feedback hebben gegeven. Hoe 
verder je nakijkwerk afzit van het ‘echte cijfer', hoe lager je
eigen cijfer. We spreken af 1 punt per halve punt afwijking. 
Dus de toets is een 8 waard en jij komt op een 6. Dan heb je voor nakijken een 6 (10-(2/0,5)). Jouw beoordeling en jouw toets tellen even zwaar.

Netwerk leren?

Het is geen goed onderzoek. Het is een verkenning. “Compass over maps”. Ik heb maar drie versies gemaakt van de toets (het plan was vijf). Het kostte nog best was tijd om toetsen te maken. Ze zijn moeilijk. De toetsen heb ik bewust niet gelijk gemaakt. Het aantal vragen verschilt, het aantal meerkeuzevragen ook. Er zijn vragen die op elkaar lijken en die in de ene versie open zijn en de andere een meerkeuzevraag. Allemaal dingen die ze, wanneer ze het met elkaar gaan doen, moeten opvallen en waar ik hopelijk vragen over krijg. Zo krijg ik een beetje een idee hoe ze het netwerk in de klas inzetten. Rolf deed me nog het idee aan de hand dat ik de bronnen moet navragen. Dat is een heel goed idee. Toch heb ik dat weggelaten. Ik wil het proces niet teveel in de weg zitten. Ik denk dat ik ze achteraf bevraag met een kleine enquête.

Het gebeurt wel vaker dat ik dit soort experimentjes doe. En om het leren voor mij ook sociaal te maken, schrijf ik deze blogpost. Voel je dus vooral vrij te reageren! Graag!

Per-Ivar Kloen
Twitter: @___pi

Wat ga jij leren maken in 2017?

Hopeloze romanticus als ik ben, denk ik vaak aan de beginscene van mijn favoriete kerstfilm “Love Actually”. De film is een eerbetoon aan de kracht van liefde en ontroerend en geestig tegelijkertijd.

De voice-over is van Hugh Grant, die de Prime Minister speelt:

Whenever I get gloomy with the state of the world, I think about the arrivals gate at Heathrow airport. General opinion started to make out that we live in a world of hatred and greed, but I don’t see that. Seems to me that love is everywhere. Often it’s not particularly dignified or newsworthy but it’s always there. Fathers and sons, mothers and daughters, husbands and wives, boyfriends, girlfriends, old friends. When the planes hit the Twin Towers, as far as I know, none of the phone calls from people on board were messages of hate or revenge, they were all messages of love. If you look for it, I’ve got a sneaky feeling, you’ll find that love actually is all around.

Klik hier om deze scene te zien.

Er is veel sips om ons heen. Veel mensen zijn boos, angstig, bezorgd. Ik hoef jullie niet de gevolgen van deze gevoelens te vertellen.  Nu kun je bij de pakken neer gaan zitten en sip in je glas kijken. Maar dat lijkt me niet productief. Wat dan?

Goede voornemens

Iets leren! Ergens beter in worden, iets plotseling kunnen. Dat is wat mij altijd weer vooruit helpt. Niet zo gek dat ik dan leraar ben, natuurlijk.  En dus ga ik jullie een vraag stellen:

Wat zou je willen leren maken in 2017?

Misschien wil je eindelijk leren lassen? Of, zoals ik ik, naaien op de naaimachine. Of wil je eindelijk die Arduino eens onder de knie krijgen? Of wil je juist aan de slag met hout? 

We gaan je ook helpen. We verzamelen alle tweetjes, comments, mails met jullie voornemens en zullen jullie daar af en toe aan herinneren. Vriendelijk hoor, wees gerust. Het is dan dus wel van belang dat we je contactgegevens hebben. Als je tweet met de hashtag #lerenmakenin2017 dan komt het in orde natuurlijk. Je kunt er ook voor kiezen om hieronder het formulier in te vullen.

 

Top 2000: een analyse

Ik heb er al eens eerder over geschreven en vorige jaar wat getweet. Maar ik kan het niet laten. Een paar dezelfde dingen als de voorgaande jaren en wat nieuwe dingen. Gewoon, op grond van de data die beschikbaar is. Ik gebruik de lijst die staat op wikipedia. Ik heb eerst geprobeerd de lijst van de Top 200o zelf te mergen. Die verschilt echter met vorig jaar soms. Zo staat er in de oude lijst bijvoorbeeld wel eens: “Prince” en in de nieuwe “Prince and the Revolution”. En mijn Excel snapt dan niet dat dat hetzelfde is. Uiteindelijk heb ik deze lijst gebruikt. De analyse gaat over de data van 2016 behalve als dat niet zo is. Dan wordt dat aangegeven. Voel je vrij om ook aan de slag te gaan!

Als ik zin en tijd heb, zoek ik wat uit. Dat betekent 
dat dit document groeit. Kom nog eens terug om nieuwe 
dingen te bekijken.

Afijn. Hieronder staat een lijst met zaken die ik tot nu heb uitgezocht. Klik erop en je wordt verder geleid. Als je iets wil weten wat ik kan uitzoeken, hoor ik het wel. Let op: ik gebruik slechts de artiest, de titel en het jaar van uitbrengen. Vetgedrukt is onlangs toegevoegd.

Welke woorden komen het vaakst voor?

Zeker in 2016, toch op wereldschaal een beetje een annus horribilis, vind ik het fijn te zien dat LOVE weer wint.

De meest voorkomend woorden top 20:

Links zie je een overzicht van alle woorden, rechts van de woorden die interessant zijn. Het totaal aantal woorden in de titels van de Top 2000 2016 is 5979.

Zoals gezegd is “love” de winnaar. Musici zijn enorme romantici. Als je zoekt op de website wordfrequency.info zie dat “love” pas op de 391e plek komt in het Engels Corpus. Slechts 0,031% van de woorden is “love” (één op 3200 woorden). In de Top 2000 is dat 1,56%, dus één op de 64 woorden is “love”!

De Nederlandstalige top 20 samenstellen is lastig. Veel woorden in het Engels betekenen ook iets in het Engels. “Lover” bijvoorbeeld. Die haal je er natuurlijk uit: die zal veel vaker in het Engels voorkomen. Maar “me”? en “is”? 

Afijn. Ik heb een poging gewaagd met alleen maar woorden die duidelijk Nederlands zijn (hoewel, “van” is natuurlijk ook een personenbusje,…). In het begin natuurlijk veel algemene woorden. Zoals gezegd missen er een paar, zoals “me”. In mijn eenvoudige Excel-database is niet te vinden of een liedje Nederlandstalig is of niet. Dat zou ik wel kunnen doen maar is wel heel veel werk, denk ik. Later wellicht. 

Het eerste “interessante” woord dat je tegenkomt is “hart”. Wellicht logisch (“Bloedend hart”, “Houten Hart”) maar het is toch opvallend dat het woord “liefde” pas heel veel later komt (op plek 490, slechts in twee liedjes. Welke?) maar dat is natuurlijk niet helemaal eerlijk. In het Engels is “love” ook een woord voor “houden van”. Even gekeken: “hou” komt vier keer voor in de lijst. Maar goed, om een eerlijke vergelijking te maken moet ik weten hoeveel Engelstalige liedjes erin staan en hoeveel Nederlandse.

Kleuren in de Top 2000

Een andere telling die ik gedaan heb, is de telling van de kleuren, althans de Engelse. Ik gebruik een brede definitie van kleuren. “Golden” en “Silver” doen ook mee. “Ruby”, hoewel soms in gebruik als kleur, heb ik niet meegeteld. Als ik het goed zie, wordt deze naam (best vaak trouwens) gebruikt als naam.


Hierboven zie je het spectrum (ik weet, het is niet een echt fysisch spectrum) met de juiste lengtes. Zwart en blauw winnen. Kleuren worden, kennelijk vooral gebruikt in liedjes op een negatieve manier. Mijn lievelingskleur, “orange” komt, als enige kleur uit het spectrum, helemaal niet voor, evenals de niet in het echte spectrum voorkomende “pink”. 

Je ziet hiernaast de precieze percentages van alle kleuren. Ik vond overigens maar 58 keer een kleurnaam.

 

Top 2000 lichaamsdelen

Ook heb ik de lichaamsdelen geteld. Ik heb hierbij het hart (bij elkaar 22x) overgeslagen. Vooral ogen, weinig benen en vier hoofden.

 

 

 

 

 

 

 

Positief/negatief

Uit de Top 2000 valt natuurlijk niet echt het humeur van de samenleving te destilleren maar toch was ik benieuwd naar de balans tussen positieve en negatieve woorden in de teksten. En ja, ik snap dat “nothing” weliswaar negatief is maar in de zin “Nothing compares to you” juist weer positief is. Ik heb echter gewoon geteld omdat de positieve term “everything” in “there goes my everything” juist weer negatief is. Afijn.

 

 

De doden van 2016

Er zijn nogal wat popartiesten gestorven in 2016. Zoals iemand twitterde vanmorgen na het bericht van de dood van George Michael: “Welk festival wordt er in de hemel gehouden?”. Ik heb alle nummers gezongen/gespeeld dor de volgende doden zwart gemaakt:

  • David Bowie
  • Black
  • Glenn Frey (Eagles)
  • Keith Emerson (Emerson, Lake and Palmer)
  • Prince
  • Billy Paul
  • John Berry Beasty boys
  • Leonard Cohen
  • Rick Parfitt (Status Quo)
  • George Michael

Ik had ook wel Toots Thielemans mee willen nemen maar van hem (net zoals van Mieke Telkamp en Eddy Wally) staat geen nummer in de Top 2000. Klik vooral op het plaatje om hem te vergroten. 

Zelfde titels

Tweeduizend liedjes. Dan kun je natuurlijk niet verwachten dat het allemaal andere titels zijn. En dat is ook niet zo. Er zijn vier titels die twee keer voorkomen en er zijn er zelfs twee die drie keer voorkomen: “Crazy” van Seal, Gnarls Barkley en Aersomith en “One” van Mettallica van U2 en van Mary J. Blige (&U2). Queen staat er in feite twee keer in met “Somebody to love”, de tweede keer met George Michael.

De letters van de titels

Vorig jaar had ik al eens opgemerkt dat er slechts één band een palindroomnaam heeft: ABBA. En wat geestig is, is dat uitgerekend deze band één van de twee titels heeft uitgebracht die een palindroom is: SOS! De andere is Mmm mmm mmm van de Crash Test Dummies.

De wedstrijd welke is het lied met de meeste leestekens kent wel drie winnaars: het mooie lied van Ramses Shaffy: “Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder” (vijf komma’s), “Turn! Turn! Turn! (to everything there is a reason)” en “Gimme! Gimme! Gimme! (a man after midnight). Die laatste twee hebben beiden drie uitroeptekens en twee haakjes. “In-a-gadda-da-vida” van Iron Butterfly mag er ook zijn met vier koppeltekens.

Ik heb ook gezocht naar titels met getallen in de titel. Na wat opschoonwerk in Excel (alle gewoon karakters en leestekens weg), hield ik 26 nummers over met een of meer getallen in de titel. Daarbij het ik geschreven nummers (“One” bijvoorbeeld) genegeerd. Meerder getallen in een nummer heb ik achter elkaar geplakt. En dan wint Doe Maar met “32 jaar (Sinds 1 dag of 2)”. Wellicht had Bruno Mars moeten winnen: 24k is natuurlijk 24000. Oh nee, Katie Melua. Onbetwist. “Nine million bicycles”. 

Langste en kortste titel

Sommige titels zijn enorm lang, anderen extreem kort. Ook daar heb ik naar gekeken. Hieronder zie je de twee ranglijsten. Grappig: U2 staat in beide lijstje. Een keer met “Still haven’t found what I’m looking for”  en een keer met “Bad”. De Manic Street Preachers hebben de eer met de allermeeste letters in de Top 2000 te staan: 59 bij elkaar met hun nummer: “If you tolerate this your children will be next”. 

Alfabetische titels

Houd je vast. Het wordt nu wel erg nerdy (ga gerust gewoon weer luisteren naar de Top 2000 hoor). Ik heb wat alfabetische testen gedaan. Zoals altijd schatplichtig aan Battus. 

Als eerste gekeken in welke nummers de letters van het alfabet maar een keer voorkomen. Dat zijn er nog best veel trouwens: 240 (12% dus). Bij titels die uit twee letters bestaan is dit niet zo raar natuurlijk. Langere zijn leuker. De langste staan hiernaast. Nummer 1, “Black or white” van Michael Jackson, heeft er 12, de nummers 2 hebben er 11 en de nummers 3 10.

“Lost” van Anouk (nummer 441) en “Biko” van Peter Gabriel (854) zijn de enige nummers met een lengte van vier letters die ook op alfabetische volgorde staan in het woord. Andersom kan ook: de letters staan in omgekeerde alfabetisch volgorde in de titel. Hier vinden we er twee met vijf letters: “Sonne” van Rammstein (nummer 187) en “Wrong” van Novastar. Een eervolle vermelding voor “YMCA” van De Village People natuurlijk. 

Verdeling over de jaren

Een standaardding in de statistiek: verdelingen! Gewoon vergeten tijdens het nerden. Eerst maar eens per jaar. Best interessant:

Rare dingen zitten er in. De eerste in 1939 (Strange Fruit van Billy Holiday) maar daarna in één keer vier! En niet de minste: Johnny Cash, Frank Sinatra en twee keer Elvis Presley. Even tussendoor:

Dat daarna de aantallen stijgen is logisch: de opkomst van de Rock and Roll is daar verantwoordelijk voor natuurlijk. Wel bijzonder: 1979 is het topjaar met 65 liedjes. Dat is er meer dan één per week. Het gemiddelde is zo’n 32 per jaar waarin er minstens één in voorkomt. Verder is 2010 een merkwaardig beroerd jaar: slechts 12 nummers uit de Top 2000 komen uit dat jaar. De jaren 2013 en 2014 hebben evenveel nummers in de lijst en ook best veel: 52. Dat gaat alweer naar de aantallen uit de jaren 70 terug.

De verdeling als je kijkt naar de decennia is weer wat logischer:

Je vraagt je af of dat verandert is in de loop van de top 2000. We gaan het na (kost wel even wat Excel gedoe…).

Als eerste alle uitzendjaren in een grafiek. Een (best mooie) wirwar:

Echt veel informatie is er niet uit te halen. Wel zie je dat het maximum aantal nummers uit een jaar 97 was. Dat was het jaar 1969 in het uitzendjaar 2002. Verder zie je mooi de uitzendjaren aan het einde van de grafiek. Er is daar wel iets opvallend. Je moet wel goed kijken. In 2008 stond er geen enkel nummer uit 2008 in. Maar dat kan kloppen! In 2008 was de 10e aflevering. Je kon toen niet stemmen, de lijst werd gemaakt m.b.v. de voorgaande lijsten. Lees er hier meer over.

Ook leuk om te kijken naar het totaal. Ik heb hiervoor van elk jaar het aantal nummers uitgebracht in een jaar opgeteld over alle 18 edities. Deze verdeling ziet er al bijna “normaal” uit. 

Beste jaar is duidelijk 1969 en slechtste van de “goeie tijd” is 1981.

Misschien wel de mooiste van allemaal is de verdeling per decennium over de verschillende edities. Je ziet de jaren “0” en de jaren “10” beginnen en jaren zestig langzaam uitdoven. De “hik”bij 2008 laat zich verklaren door het feit dat dit een optelling is van de voorgaande negen edities.

De onderstaande grafiek doet hetzelfde maar dan voor elk jaar in plaats van voor elk decennium. Minder goed leesbaar maar esthetisch best fijn. Zoals Per-Ivar (die heel vaak rake dingen zegt) net zegt: “Het langetermijngeheugen van de soort mens in kaart gebracht.” Klik er vooral even op, dan zie je het beter.

Heatmap jaar

En de laatste van dit jaar: een heatmap van het jaar van uitbrengen van de nummers van de Top 2000 van 2016. Hoe lichter hoe jonger (precies andersom als boven dus). Je ziet eigenlijk geen enkele patroon. En dat is mooi. Kennelijk zitten er oude en nieuwe nummers door elkaar heen in de Top 2000. Misschien alleen bij de eerste 100 wat meer oude (donkere nummers). Een mooi nieuw jaar gewenst!

 

Een echte Sonos

SONY DSC

Sonos® PLAY:1

Mijn grote vriend Michel wordt 6 november 50. Ik app wat met onze gezamenlijke makker Chris over een cadeau. Chris heeft contact gehad met Michel. Een boek is altijd goed en verder spaart hij voor een Sonos geluidssysteem. Een beetje saai vinden we het. Ik stel voor om iets proberen in elkaar te knutselen. Misschien een Sonos 3D printen? 

De volgende dag ga ik op zoek. Ik vind een 3D model van de Sonos Play 1. Het is in Skechtup formaat. In dat programma “zaag” ik een bodem uit het model en repareer het model via Meshmixer van Autodesk (dichtmaken etc.).

Ik geef aan het eind van de middag de 3D printer opdracht het model te printen. De dag erna hoor ik van een collega dat het spaghetti werd. Zoals zo vaak stelde de 3D-printer me  teleur.

6261314261_a34aa142c3_o_display_large_preview_featured

Buigbaar hout

Dan maar vanaf scratch beginnen met de lasercutter. De Sonos Play 1 heeft een min of meer heldere geometrische figuur: een kolom van een afgerond vierkant. En dat past heel goed bij een mooie “truc” om om een bochtje te gaan: het insnijden zodanig dat je het hout kan buigen. Ik doe wat metingen en maak een eerste ontwerp.

Hiervoor combineer ik een gedownloade “krommingssnede” (op heel veel plekken te vinden, o.a. hier) en een randje van BoxDesigner. Ik snijd het uit op karton (ons geliefde prototypemateriaal) en test het. Het ziet er redelijk overtuigend uit. Ik bekijk de Sonos (online) nog wat beter en maak een patroon van gaatjes en letters op de rand. 

schermafbeelding-2016-11-01-om-12-16-14

Het “geluidsdingetje”

Ik bedenk me plotseling dat ik nog een geluidsdingetje heb. Een chipje met een uitgebroken opnameknop, een uitgebroken afspeelknop, een uitgebroken controleLED en een luidsprekertje. De kwaliteit is niet erg hoog maar dat is bij dit plagerige cadeautje alleen maar goed. Ik meet de knoppen en de luidspreker en ontwerp navenante gaatjes in de behuizing.

Ik laat hem uitsnijden en kleur het met ecoline, onverdund zwart op de rand en sterk verdund grijs daaronder. En dan is het weekend gestart en laat ik het drogen.

Het kokertje

Het kokertje

Maandag ga ik verder. Het is nu nog een kokertje. Er moet allereerst een dekseltje op. Ik meet allereerst hoe groot het gat is. Verder bestudeer ik nauwkeurig hoe de bovenkant van de Sonos er in het echt uitziet en teken deze. Het is verdiept, dus ik maak twee lagen. Ik ontwerp een gaatje voor de afspeelknop en een gaatje voor de LED. Na het uitsnijden blijkt de afspeelknop te diep te liggen. Ik snijd twee laagjes perspex uit en plak die op de oorspronkelijke knop. Het gat voor de LED moet wat groter en dat doe ik met de handboor. Weer wat ecoline erop, de knop en de LED lijm ik vast en de bovenkant is klaar.

Ik lijm de deksel erin door aan drie kanten een houtje in te lijmen waarop het dekseltje rust.

beiden

Links de binnenkant zoals die geworden is en rechts de bovenkant van een echte Sonos.

Ik maak een extra gaatje voor de microfoon en lijm die, de luidspreker en de opnameknop ook in het frame. 

Voor de onderkant wil ik graag een deksel die los te halen is. Dan zijn de batterijen eventueel te vervangen en kunnen Chris en ik er wat geld in stoppen. Ik kies voor een magnetische sluiting. Als eerste snijd ik het dekseltje uit. Ik graveer heel langzaam een strookje aan de vier zijkanten in het midden naast een toepasselijke tekst . Door dat langzaam te doen, ontstaat er een gaatje in het hout. Hierin lijm ik een stukje ijzerdraad. Vervolgens doe ik datzelfde met vier balkjes. Hierin lijm ik een precies passen magneetje. Deze lijm ik vast aan het frame en pas daarna het deksel.

Af!

Af!

Het past mooi en hij is klaar. Nu nog even met Chris “Lang zal hij leven” inzingen, volstoppen met geld, inpakken en dan geven. Ben benieuwd wat hij ervan vindt.
 
 
 
 

 

 

 

 

Tot slot

Elke keer als ik iets maak leer ik een boel dingen. Wat technische (hier bijvoorbeeld dieper liggende gaten maken) maar ook over maken en over mezelf. Ik had een onbedwingbare behoefte om iets te maken hoewel het eigenlijk vrij slecht uitkwam. Toetsweek en een boel lezingen en een workshop binnenkort. En toch heb ik het gedaan. En het voelde goed! 

Het lijkt natuurlijk erg (ook vanwege het moment) erg op een Sinterklaas-surprise. Ik hoop dan ook dat wellicht anderen inspireert om weer aan de slag te gaan. een mooi pleidooi voor de surprise is opgeschreven door Anne-Wil Lucas en wel hier.

knots1En ik maak meteen van de gelegenheid gebruik om reclame te maken voor het boek van mijn grote vrienden Rolf Hut (tekst en ideeën) en Marten Hazelaar (illustraties). Het boek heet “Knotsgekke Surprises om zelf te maken” en kun je online hier kopen. Of ga naar een boekhandel zoals Kinderboekwinkel In de Wolken in Voorburg.

 

 

 

 

Medaillespiegel. Maar dan eerlijker.

Inleiding

logoLaat ik beginnen met zeggen dat ik het soms best aardig vind om naar de Olympische Spelen te kijken en dat het ook leuker is om ernaar te kijken als je “voor iemand” bent, snap ik ook. Tegelijkertijd erger ik me ook aan het juichen om Nederlandse medailles voor sporten waar verder nooit enige aandacht voor is (Keirin?). Ko Colijn schreef voor Vrij Nederland een mooi (wellicht wat sterk) stuk over dat rare sportchauvinisme.

Maar data! Die vind ik leuk. Zo schreef ik al eens over de Top 2000 en over Het midden van Nederland. Elke dag horen wij tijdens deze Spelen iets over waar we staan in de medaillespiegel. En elke keer denk ik, ja, Amerika bovenaan. Maar die hebben ook veel meer inwoners. Of andersom, een medaille voor een klein land, is veel bijzonderder dan weer een voor China.

En dus heb ik wat data bij elkaar verzameld. Dat staat daar wel zo makkelijk maar da was natuurlijk het grootste probleem. De data van het aantal inwoners van Wikipedia en de medaillelijst, willen natuurlijk niet zo snel samen. Maar het lukte (doordat ik weer een nieuwe Excel-truc leerde: vert.zoeken) en dan is er te spelen. Let we;: het is de medaillespiegel van nu (maandag 15 augustus, 15.00 uur, terwijl ik dit schrijf haalt Sharon van Rouwendal er een gouden medaille bij voor Nederland). Deze verandert nogal. Ik zal aan het eind nog een finale analyse doen. Later gezien: deze site die veel doet wat ik bij elkaar ploeterde 😉

De medaillespiegel

Als eerste de manier waarop de media de ranglijst maken: alleen maar kijken naar het aantal gouden medailles. geen erg opvallende zaken hier. Grote landen, veel medailles.

Schermafbeelding 2016-08-15 om 16.02.33

Medailles per inwoner

Eerst maar eens kijken naar medailles per inwoner. Of, wat ik heb gedaan he, het aantal medailles per miljoen inwoners. Daar wel wat verrassingen.

Schermafbeelding 2016-08-15 om 16.06.14

fijiFiji is hier de grote winnaar ondanks het feit dat er slechts één gouden medaille heeft gehaald. Wel een hele mooie natuurlijk: rugby! Voor een land met minder dan een miljoen inwoners is dat prachtig natuurlijk! Nederland doet het ongeveer even goed als in de “normale” medaillespiegel. De Gemenebestlanden, Nieuw-Zeeland, Australië en Groot-Brittanië doen goede zaken. Opvallende afwezige: de Verenigde Staten. Die staat op plek 27 met een score van 0,08 gouden medaille per miljoen inwoners. Rusland staat op plek 28 en China op plek 44 (met 1 gouden plak per 100 miljoen inwoners ongeveer). Grootste verliezer is hier natuurlijk India. Nog geen medailles. En wel meer dan 1,2 miljard inwoners.

Medailles per deelnemer

Ik vond ook ergens het aantal deelnemers per land  en heb daar ook naar gekeken. Sommige landen zijn wellicht wat makkelijk andere wat moeilijker. Ik heb hierbij het aantal gouden plakken gedeeld dor het aantal deelnemers. Lastig hierbij is dat teamsporten veel deelnemers hebben maar weinig medailles.

Schermafbeelding 2016-08-15 om 16.34.19

. (AP Photo/Markus Schreiber)

. (AP Photo/Markus Schreiber)

Hier is de winnaar Kosovo die een gouden medaille won in de Judo bij de dames onder 52 kg (Malinda Kelmendi). Verder is het, denk ik, gerechtvaardigd om te zeggen dat de VS streng is in haar selectie. heel veel deelnemers, verreweg de meeste van alle landen maar staan hier toch mooi tweede met 1 gouden medaille per twintig deelnemers. Nederland doet het niet echt slecht: de score is 0,017 gouden medaille per deelnemer. Dat is 1 gouden medaille per 60 deelnemers. Vanzelfsprekend wordt dit meer (door de gouden medaille van Van Rouwendal wordt deze score bijvoorbeeld 0,021 en schieten we in de top 20).

In dit kader is het ook wel aardig om eens te kijken naar het aantal deelnemers dat een land afvaardigt per miljoen inwoners.

Schermafbeelding 2016-08-15 om 16.56.39

“Meedoen is belangrijker dan winnen.” Dat zie je hier mooi terug bijvoorbeeld als je kijkt naar de winnaar, Saint Kitts and Nevis. Twee eilandjes in de Caribische Zee, vlakbij St Eustatius. Zeven deelnemers, allen bij atletiek. Nederland is vrij streng, op de 47e plek met  14 deelnemers per miljoen inwoners maar dat is nog niets vergeleken met het Verenigd Koninkrijk (76e met 6 per miljoen), de Verenigde Staten (124e met 1,7 per miljoen) en als winnaar (?) Pakistan met 1 deelnemer op 28 miljoen inwoners.

Verdiende medailles

Een andere manier om naar de kwaliteit van de prestaties te kijken, is door het te relateren aan het Bruto Binnenlands Product per hoofd van de bevolking. Zeg maar even, wat iemand gemiddeld verdient in een jaar.Dit levert weer een hele andere lijst op. Ik heb hierbij het aantal gouden medailles gedeeld door het BBP/hoofd van de bevolking in $1000.

Schermafbeelding 2016-08-15 om 16.21.04

Hier een prachtige eerste plek voor China! Met kop en schouders steken ze erboven uit. maar ook Ethiopië doet het fantastisch. Als Ethiopië nog een gouden medaille wint, staan ze bovenaan. De Verenigde Staten doet het hier prima en ook het Verenigd Koninkrijk en Duitsland doen het niet onverdienstelijk. Nederland blijft achter op de 33e plek. Misschien is dit wel een ondersteuning voor het verhaal van Thijs Zonneveld in het Algemeen Dagblad van 14 augustus: “Topsportland op basis van toeval en uitschieters.

Wellicht zijn er nog andere aardige koppelingen te maken. Heb je een verzoek, laat het me weten! Of als je zelf wil klooien, hier is de Excelfile die ik maakte.

Amerikanen die geconfronteerd variant gezondheidsprobleem, kan dergelijke geneesmiddelen families van internet kopen zonder enig probleem. Verschillende geneesmiddelen worden meestal gebruikt om verschillende uitzicht van bacteriële infecties, hoe bronchitis en neus- trakteren. Viagra is een recept geneesmiddel dat wordt gebruikt om impotentie te behandelen. Hieronder zijn twaalf tips over “viagra“. Meest waarschijnlijk iedere man weet “kamagra jelly kopen“. Een wetenschappelijk onderzoek over “viagra kopen” blijkt dat mensen de zeer voorkomende seksueel probleem is ED. De tekenen van seksuele wanorde bij mannen zijn onder andere een gebrek aan belangstelling voor seksueel contact. Gewoonlijk de behandeling van opties kunnen onder meer erectiestoornissen remedies of hormoontherapie. Krijg medische hulp als u enige vorm van een allergische reactie op dit medicijn. Praat met uw apotheker om te zien of het waterdicht om de overstap te maken.